Ik heb geprobeerd, maar ‘t is nie gelukt. Hoe kan er van mij verwacht worden te ademen als ik nie eens meer om lucht kan vragen? Mijn longen knijpen samen, plooien toe, wringen zich uit en ik schok terwijl ik steun zoek tegen de muren. Ik noemde dit vroeger mijn thuis, maar nu voel ik mij nergens nog thuis. Nie hier, noch ergens anders.
Ik ben angstig, ik voel mij soms zo bang als een kind van vijf dat aan haar ouders vraagt om onder het bed te kijken. Ik ben bang van de grote boze wereld. De boze wereld en zijn vooroordelen geuit in dwaze blikken en vreemde, pijnlijke woordsamenstellingen. Zinnen. Ik ben niemeer bij mijn zinnen. Mijn zinnen zijn bij u. Of verstopt (mij bewust van mijn hart), hier. Soms lijken de dingen duidelijk te worden, zo heel af en toe. Pas op, begrijp mij nie verkeerd; ik verwacht ook absoluut nie meer dat alles altijd even duidelijk is maar net omdat ik me zo klein en bang voel heb ik instinctief veel nood aan klaarheid in mijn hoofd. Ik wil alleen zijn, alleen wonen of met u. Met vallen en opstaan. Ik ben soms bang van u en uw geheimen, ze maken mij achterdochtig. En de verwijten en kritieken rondom mij maken de vraagtekens in mijn hoofd alleen maar groter en de onduidelijkheden nog mistiger. Mede daardoor verloor ik de laatste tijd al meermaals de controle over mijn emotionele zijn. Zo ben ik.
Ik stel mij zoveel vragen. Lief, ik heb geen probleem met u. Maar ik heb een probleem met wat anderen van u verwachten. Deze mensen zouden niks van u mogen vragen. Het zijn zij niet die zich engageren voor een leven lang met u. Ik wil u niet kwijt raken aan hun.
Ik weet echt niet meer, en ik ben doodserieus, hoe lang ik dit nog vol hou. Hoe lang ik mijn masker nog zal kunnen ophouden tot ik, op een moment dat ik volledig zoek ben, mij huilend in uw armen stort. Verwacht mij.