Ik heb u genoeg kansen gegeven. Ge hebt alles keer op keer vergooid. En ge zegt zelf dat ‘alles’ zo veel is. Zeker als het over ons gaat. Ging. Dit heeft lang genoeg geduurd. Ik spreid mijn armen en ren. Ik voel hoe mijn voeten een dof geluid veroorzaken telkens ze neerkomen. Bomen, hun bladeren en hun takken, en de open plekken flitsen afwisselend voorbij. De beelden nu. De beelden van ons. Van datgene wat we vroeger ‘ons’ noemden. Mijn kleren hadden uw geur vastgehouden, ze was zelfs in mijn huid gekropen. Het geluid is harder geworden en ik ruik asfalt. Ja, aangekomen op de weg. Andere omgeving, zelfde beelden. Ik loop en ik loop. Ik stop. Mijn rug vangt de schok op en ik val wat vooruit. Het moet er dwaas uit hebben gezien, hoe ik daar met mijn armen zwaaiend mijn evenwicht trachtte te bewaren. Ze had zich wederom verontschuldigend onder mijn voeten vandaan gehaald. Zoals gij kampioen waart in het verontschuldigend verdwijnen. Ge vertrok niet, ge verdween. En ge kwam terug, en verdween, kwam terug en verdween weer. En ik? Ik bleef en ik pikte dat zomaar. Ik stond nog steeds voorovergebogen in het midden van de weg. Mijn handen steunend op mijn knieĆ«n. Eenmaal ‘uitgehijgd’ heb ik mijn handen voor mijn gezicht gevouwen. Een gevouwen dak. Ogen wijdopen. Ik was thuis, zag u naar mij toe lopen. Ik draaide me om. En van dan af weet ik er niets meer over. De tranen hadden mijn zicht verwaterd.
How excruciatingly American…